Gerard UngerDit artikel verscheen in het maart 1992 nummer van Proof "Niet zo lang geleden heb ik uitgerekend dat ik al de helft van mijn leven in dit vak zit", vertelt typograaf en grafisch ontwerper Gerard Unger, terwijl hij een trek van een aromatische sigaar neemt. Wij zitten aan de keukentafel van zijn mooie studio annex huis (ontworpen door Mart van Schijndel, 1981) aan een rustige zijstraat in Bussum. "Ik ben net vijftig geworden en ik heb de Rietveld Academie in 1967 verlaten. Wat dat betreft denk ik dat ik in een heel interessant tijdperk leef, want in deze 25 jaar hebben gigantische veranderingen in het typografische vak plaatsgevonen." Unger, die naast freelance werkzaamheden ook op de Rietveld doceert, vertelt hoe men typografie 25 jaar geleden doceerde: "Eerst zei je: Jongens, in het begin is het even vervelend, maar straks wordt het interessant.' Want eerst moest je uitrekenen hoe lang het manuscript was en op hoeveel gedrukte bladzij den de tekst met een gegeven letter zou uitkomen. Een tekst moest bijvoorbeeld op het juiste aantal papiervellen passen van 16 pagina's. In het beste geval was het manuscript op één schrijfmachine getypt, maar het kon ook met verschillende machines gedaan zijn, wat een afwijkende regelhoogte tot gevolg had. Daarnaast bevatte het vaak ook nog met de hand toegevoegde correcties. Je was minstens een dag bezig. Tegenwoordig krijg je een manuscript op floppy, je laadt het in je computer en de opmaak-programmatuur berekent zoiets in een flits." Men leerde typografie toen door het zetten; het buigen over een zetkast en het opmaken van pagina's. Dat was het didactische middel, vertelt Unger. "De gemiddelde drukkerij had misschien alleen maar Times Roman, Garamond, Baskerville, Gill, en Helvetica óf Univers — nooit beide — in de corpsgrootten 6, 8, 10, en 12, want oneven grootten waren heel zeldzaam. Wat betreft andere lettertypen wisten wij dat men bijvoorbeeld in Epe of Eindhoven nog een paar andere had. En als er iets voor de studenten gezet kon worden, was dat fantastisch! "De ontwikkeling naar fotozetten en later het doordringen van de computer betekende een kolossale verruiming van de mogelijkheden binnen ons vak," zegt Unger. "Ik heb kasten vol met de traditionele vakliteratuur — zowel Nederlands als Engels, Duits en Frans — en het is volkomen verouderd." Er is een schrijnende behoefte aan nieuwe literatuur over typografie. De twee kleine gidsen over Kerning and Tracking en justification and Hyphenation die de Amerikaan John Berry uit Seattle, in opdracht van Aldus heeft geschreven, wijzen volgens Unger de nieuwe richting aan. Swift en Amerigo De flinke, fraaie Amerigo (1986) is ontstaan nadat Unger hoorde dat Bitstream's Mike Parker op een typografisch vakcongres vertelde over de moeite die Bitstream had om Hermann Zapf's Optima-letter er op 300 dpi goed uit te laten zien. Parker hield zich voor een oplossing aanbevolen. In bepaalde corpsgrootten passen de subtiel gebogen verticalen niet in het raster. "Ik heb er over nagedacht en ging experimenteren," zegt Unger. "Toen ik hem de volgende keer zag, vroeg ik hem of hij geïnteresseerd zou zijn in mijn ontwerp." Unger bood hem Amerigo aan, een letter die hij ontwierp met het oog op DTP en laserprinters van 300 dpi, maar die er ook uitstekend uitziet op hogere resoluties. Bitstream heeft zijn ontwerp gedigitaliseerd en geeft het nu in PostScriptformaat uit als Bitstream Amerigo. Unger: "De binnenvormen van Amerigo zijn zeer open. Bogen raken linksboven en rechtsonder nauwelijk: de stokken en vormen daarmee aan de binnenzijde bijna een rechte hoek. Bij toepassing in grove rasters worden de binnenzijden van deze horizontale bogen helemaal vlak, terwijl in fijnere technieken en in de grote corpsen de lichte buigingen behouden blijven. De driehoekige, schreefachtige uiteinden zijn zo sterk dat ze bij reproduktie in grove rasters weinig te lijden hebben. Wat de gebruiker ook met deze letter uitspookt, de tekst verschijnt altijd helder en levendig op papier." Amerigo is een uiterst gelukkige samensmelting van de koele gladheid van een modern sans-serif en de warmte en leesbaarheid van een klassieke letter en vormt een perfect lettertype voor het post-International-stijl-tijdperk. Hollander Imperfecties De veranderingen die zich deze eeuw in de typografie hebben voltrokken heeft Unger een aantal jaar geleden op een pittige manier samengevat in een editie van Grafisie 14, gewijd aan Nederlandse typografie. Unger schreef "In zo'n vijf decennia was het bijna gelukt de hele westerse wereld op een typografisch vermageringsdieet te hijgen, een dieet dat behalve een tweetal schreefloze (Helvetica en Univers) ook een enkel lettertype met schreven bevatte. Nu wordt het menu weer uitgebreid en komt de waardering terug voor variatie in smaken, voor verschillen tussen culturen, en voor lettertypes met uitgesproken stilistische kenmerken. "International" betekent niet meer één stijl, één cultuur, één taal en een uniform uitzicht, maar een ruime blik op een horizon vol afwisseling, waarin het Hollands landschap zich duidelijk aftekent." "Ondanks al die positieve ontwikkelingen," zegt Unger met een zucht, "is er op sommige plaatsen, zoals de Academie in Basel, nog steeds niets veranderd. Ze dragen daar blinddoeken. De Ierse schrijver George Bernard Shaw, een groot voorstander van Caslon, heeft eens gezegd: "'When in doubt, specify CasIon.' Deze mensen hebben niet eens twijfels, alles moet gewoon Helvetica!" Wij stappen in z'n auto om naar het station van Bussum te rijden. Unger gooit een floppy-disk met zet-instrukties op de achterbank, want hij moet daarna bij een fotozetter langs. "Vroeger reed ik heel veel op de fiets heen en weer naar de studio om blow-ups te maken, zoals dat heet. Nu zit ik rustig achter de Mac de hele dag — een technische vooruitgang, dat wel, maar zeker slechter voor je conditie. Ik geef toe dat ik ook af en toe een potje rubber-cement koopt alleen voor de geur. En die Magic Markers! Je wordt bijna high van de dampen. Maar ja," voegt hij er nuchter aan toe, "ze zeggen dat het slecht is voor je hersencellen." |